Een bijenvolk is fascinerend. Ze zijn georganiseerd, kennen een taakverdeling, communiceren met elkaar, overleven in de winter. Naar een bijenvolk kijken is als het kijken naar een wonder in de natuur. Bovendien is een bijenvolk ook zeer nuttig en waardevol voor de mens, al is dat niet hun doel. Zij zijn bezig met het overleven en de soort in stand te houden.

Een bijenvolk bestaat uit duizenden bijen maar de imker beschouwt een volk als één geheel en noemt een volk de imme. Eén honingbij kan namelijk niet overleven en honigbijen zijn zo georganiseerd dat ze alles doen om het volk als geheel in stand te houden. Alleen al het feit dat als een bij een indringer steekt, de angel verliest en daarmee zichzelf dodelijk verwondt geeft al aan dat het individu ondergeschikt is aan het voortbestaan van het volk.

De voortplanting van honingbijen als soort bestaat dan ook uit het vermeerderen van volken. Een groot volk in de zomer maakt zelf koninginnen en als deze bijna volgroeid zijn vertrekt de oude koningin met een aantal bijen en gaan tijdelijk aan bv. een boomtak hangen. Deze voorzwerm zoekt een goede vestigingsplaats en als die gevonden is vertrekt de gehele zwerm naar die plaats. De jonge koninginnen komen daarna uit en gaan ook met een aantal bijen zwermen. In deze nazwermen zitten dus onbevruchte koninginnen die ook een nieuwe plaats zoeken.

Een bijenvolk kent drie soorten bijen namelijk :
De koningin legt als enige eitjes en is daarom de moeder van alle bijen in het volk. Ze krijgt apart voer van de werkbijen en kan daarom wel 5 jaar worden. Een koningin kan zelf bepalen of ze een bevrucht eitje legt of een onbevrucht eitje. Uit een bevrucht eitje komt een werkbij. Uit een onbevrucht eitje komt een dar.
Een koningin wordt in het imkersjargon ook wel moer genoemd. Zo is een moergoed volk een volk met een leggende koningin en een moerloos volk een volk zonder koningin.

Verreweg de meeste bijen in een volk zijn werkbijen. Ze hebben verschillende taken. In de zomer zijn ze de eerste 3 weken als huisbij actief om raten te bouwen en schoon te maken, larven te voeren, honing aan te nemen, wachtbij bij de vliegopening en dergelijke. De 2e 3 weken zijn ze haalbij en halen stuifmeel, nectar, water en propolis. Na zo’n 6 weken zijn de vleugels “versleten” en gaan de werkbijen dood. Echter in de winter leven de werkbijen wel 6 maand. Ze bouwen voor de winter een zgn. vetlichaam op waardoor ze langer leven. Dat moet ook wel want in de winter stopt de koningin met eitjes leggen omdat het kouder en de daglengte korter is. Als de bijen dan ook maar 6 weken zouden leven zouden ze niet kunnen overwinteren.

Als een volk in het voorjaar groeit gaat de koningin op een gegeven moment onbevruchte eitjes leggen waaruit darren komen. Deze mannetjes bijen leven een zwervend bestaan. In tegenstelling tot werkbijen worden darren niet gecontroleerd door de wachtbijen en mogen altijd naar binnen. Zo zwerft een dar via verschillende volken rond en zorgt er zo ook voor dat er niet teveel inteelt komt. Darren hebben eigenlijk geen werkfunctie. Ze helpen hooguit het broed warm te houden. Daarom worden ze in het najaar ook verdreven uit de kast. Ze worden niet meer binnengelaten en die binnen zijn worden zelfs door de werkbijen aangevallen (darrenslacht).

Omdat de koningin genetisch bepalend is voor het volk wordt er door sommige imkers koninginneteelt bedreven. Dit wordt gedaan om bepaalde eigenschappen in koninginnen te verbeteren zoals haaldrift, zachtaardigheid, raatvastheid en dergelijke. Weer een vak apart binnen de imkerij.

Verder zorgen imkers ervoor dat de bijen in een gebied staat waar ze goed gedijen. Met ‘dracht‘ bedoelen wij alle voorwaarden voor een goede oogst. Genoeg bloemen die voldoende vocht ontvangen uit de bodem en uit de lucht. Maar ook genoeg warmte; niet teveel en niet te weinig. Als het optimaal is geeft de bloem nectar en lokt de bloem daarmee onze bijen. Dat is wat imkers ‘dracht’ noemen.

Uiteraard is er veel meer over bijen te vertellen en te tonen. Als u geïnteresseerd bent in de mogelijkheden neemt u dan gerust contact op.